Archief en museum voor het vlaams leven te Brussel
Snel zoeken
  • Snel zoeken in de collectie
  • Snel zoeken in de website

Pogge en zijn vrienden!

‘ALLES ES JUST!’

IN DE VOETSPOREN VAN POGGE

Dankzij de steun van de Vlaamse Gemeenschapscommissie kunnen we in het AMVB tentoonstelling van het najaar 2026 staat vanaf september in het teken van ‘150 jaar Pogge Vrienden’. Pierre De Cruyer (1821-1890), beter bekend als Pogge, bracht in het 19de-eeuwse Schaarbeek elk conflict tot bedaren met zijn beroemd geworden slagzin ‘Alles es Just!’. Dankzij de Pogge Vrienden blijft de geest van deze volksheld in de gemeenschap voortleven. Zijn rijke nalatenschap staat op de expo centraal: archiefstukken, illustratiewerk, tradities, zijn draagbeeld en de wijze waarop het Schaarbeeks festival ‘Alles es Just!’ dit erfgoed waarde heeft gegeven. In samenwerking met Sputnik vzw brengt het AMVB de wereld van Pogge tot leven met een reeks workshops, randactiviteiten en een feestelijk weekend gewijd aan 150 jaar Pogge Vrienden. Zo worden verleden en heden met elkaar verbonden. Maar wie is Pogge nu eigenlijk? En waar moeten we hem situeren? Hieronder geven we je alvast wat meer uitleg!

Herinneringen aan het dorp SCHAARBEEK

Om de sporen te ontdekken van het dorpse verleden van Schaarbeek die in de buurt van de Haachtsesteenweg voortbestaan, moet je twee dingen doen: je te voet verplaatsen en aandachtig rondkijken. Zo is er het bochtige traject van de steenweg die achter het tramdepot begint en nog steeds haar eeuwenoude loop volgt. De oude verkeersassen waren immers nooit volledig recht, gezien ze vooral door karren gebruikt werden. Dat betekende dat al te steile afdalingen en beklimmingen risico’s waren en vermeden moesten worden.

De brede bocht van achter het tramdepot leidt ons naar het kruispunt met de Metsijsstraat. Dit is de plek waar men vroeger de Maalbeek kon doorwaden. Een belangrijk kruispunt dus, waar in het verleden heel wat herbergen te vinden waren.

Op de een of andere manier is in deze hoek van Schaarbeek, Voorde genaamd, die dorpse sfeer tot op de dag van vandaag wat blijven hangen. In de zone tussen het huidige Colignonplein en de Louis Bertrandlaan klopte voor 1905 het hart van wat toen een klein, landelijk dorp was.

pogge

Een van de eigenaardigheden van deze buurt blijkt uit een niet-officiële plaatsnaam: het Poggeplein. Dit is de naam die aan een specifieke verbreding van de Haachtsesteenweg is gegeven. Het is een soort verbindingsstuk in de vorm van een plantsoen, tussen de nieuwe tracés uit het begin van de 20ste eeuw en de oude steenweg. De naam verwijst naar Pogge, een van de plaatselijke inwoners uit de tweede helft van de 19de eeuw. Hoe en waarom is het zo gekomen dat deze brave borst voor heel wat oudere Schaarbekenaren nog steeds een echte levende legende is?

 

Pogge

De dichter Patrice de la Tour du Pin stelde dat “Die landen die geen legendes meer hebben, zullen veroordeeld zijn om te sterven van de kou…” Dat hadden de dorpsbewoners goed begrepen toen ze rond Pogge – de bijnaam van een van hen, een arbeider – vanaf de jaren 1875 verzamelen bliezen en uit de bol gingen op wijkfeesten. Op dat moment leefde Pogge nog. Echt serieus onderzoek naar de feiten achter de figuur is pas na de Tweede Wereldoorlog van start gegaan.

Daarvoor deden er heel wat verschillende versies van Pogges levensverhaal de ronde. De ene keer werd hij geboren op het einde van het ancien régime, waarop hij een van de helden van 1830 werd. Een andere lezing maakte van hem een goedgebekte cabaretier. Maar de vaakst terugkerende versie is die waarin Pogge een wijze filantroop is die bemiddelde tussen de dorpelingen. Deze Pogge deed er alles aan om iedereen met elkaar te verzoenen. Zijn toespraken eindigden ook onveranderlijk met de formules “Alles es just” of “Just es just”, stellig ervan overtuigd dat hij zo bijdroeg tot de dorps- en huiselijke vrede. Om een lang verhaal kort te maken: de Brusselse zwans heeft een gretige bierdrinker getransformeerd in een wijze koning Salomon van downtown Maalbeek.

Zijn echte levensverhaal is echter veel minder heroïsch. Desondanks blijft het fenomeen Pogge bijzonder aantrekkelijk en leerrijk voor historici die de cultuur van alledag bestuderen. Pogge heette Pierre De Cruyer, wat als “De Crayer” in het dialect werd uitgesproken. Hij werd geboren in 1821 in Ternat.

Dat weten we door het feit dat zijn nakomelingen verschillende interessante documenten aan de gemeente hebben geschonken, die vandaag worden bewaard in de gemeentelijke archieven. Zo bezitten we onder andere zijn militair zakboekje. Daaruit blijkt dat hij in 1842 werd ingelijfd bij de eerste compagnie van het 21ste bataljon van het 11de infanterieregiment. Vier jaar later, in 1846, zette hij een punt achter zijn militaire dienst waarin hij zich vooral deed opmerken door de frequentie van zijn afwezigheden. In 1853 vestigde hij zich in Schaarbeek waar hij huwde met Anne-Catherine Crabs. Ze kregen vijf kinderen, waarvan enkel de tweede in leven bleef. Hun huisje bevond zich nabij de Haachtsesteenweg, ongeveer ter hoogte van de nummers 392-394.

Pogge werkte lang als dagloner bij zijn buurman, een boer die Van den Eynde heette. Men zegt dat zijn vaste drinkebroer de schoonbroer van zijn werkgever was. Door zijn kleine gestalte kreeg hij de bijnaam “Pogge”, het spottende verkleinwoord voor poesjenel – kleine marionet met andere woorden. In 1883 werd Pogge weduwnaar, waarop hij steeds vaker de kroegen in de buurt opzocht – iets wat zijn volkse aura mee versterkte. Uiteindelijk kwam hij terecht in het ouderlingengesticht in de Hoogstraat, waar hij stierf in 1890.

Doorheen de jaren werd de legende achter Pogge steeds groter. De verbeeldingskracht van de lokale chroniqueurs deed de echte Pierre De Cruyer stilaan vergeten. Dat lukte zo goed dat Charles Desbonnets en Albert Bailly in 1911 voor het theater ‘Pogge de Schaerbeek’ in hun tekst onze Schaarbeekse vriend het volgende in de taal van Molière lieten zeggen: “J’ai bon, je chante : Ah les poètes sont des fous, Les ivrognes sont des sages.” [Ik voel me goed, ik zing : Ah, dichters zijn gekken, Dronkaards zijn wijzen.] Bekend refrein.

 

De Vrienden van Pogge

Om goed door te zakken kwamen de laatste Schaarbeekse landbouwers samen in ‘Les Trois Rois’, een herberg die al bestond sinds 1722. Hun bijeenkomsten kregen vanaf 1875 een formeel tintje. Ze maten zich de naam van “Pogge Vrienden” aan. Jean-Baptiste Colson, de nieuwe patron van de kroeg, was vanaf de jaren 1890 de gangmaker van de vereniging. Mijnheer Van den Branden, zijn opvolger, was gedurende vijfentwintig jaar de stuwende kracht van het gezelschap. Hij droeg onverdroten bij tot de legende van Pogge, door hem in de verhalen te voorzien van een enorm fortuin. Van den Branden was ook de bron van het gerucht dat Pogge drie huizen aan de gemeente Schaarbeek zou geschonken hebben, opdat zijn naam aan het pleintje zou gegeven worden.

vrienden

Marcel Bergé kamde in de jaren 1950 de geschiedenis van Pogge grondig uit. Hij hield ervan om erop te wijzen dat voor heel wat buurtbewoners de buste van Emanuel Hiel, op het midden van het Poggeplein, niets anders dan een eerbetoon aan Pogge kon zijn. Sinds 1907 prijkt de buste van Emanuel Hiel in het midden van het Poggeplein. Het monument heeft het goede gezelschap van een gracieuze vrouwelijke allegorie van de poëzie. Zoals gezegd werd de buste heel lang vereenzelvigd met Pogge. Emanuel Hiel (1834-1899) was een Vlaamse schrijver die geboren werd in Dendermonde. Hij kwam in Schaarbeek terecht waar hij het tussen 1879 en 1884 zelfs schopte tot gemeenteraadslid. Deze vurige militant van de Vlaamse zaak – tekenend was het feit dat hij elk jaar de nederlaag van Napoleon in Waterloo vierde – was een van de stichters van het Willemsfonds in Brussel.

Naast de buste houden ook nog andere zaken de herinnering aan zijn naam en betekenis levend. Er is niet alleen een straat die naar hem genoemd is, ook het Nederlandstalige atheneum van Schaarbeek draagt zijn naam. In zijn oeuvre neemt de bombastische cantate die hij schreef voor de inwijding van het nieuwe gemeentehuis van Schaarbeek in 1887 een bijzondere plek in. Maar hij liet ook andere sporen na in de archieven. Zo dook Hiel regelmatig op in de satirische pers van die tijd, omwille van zijn grote voorliefde voor de sterke drank die royaal vloeide in de cabarets van het centrum van Brussel. Da’s tenminste toch een element dat hem met Pogge verbindt.

Hier had deze geschiedenis kunnen ophouden. De herinnering aan een doodgewone dorpsgenoot die uitgegroeid was tot de mascotte van de buurt, had perfect doorheen de loop der jaren aan kracht kunnen verliezen. De enorme veranderingen van het agrarische Schaarbeek en de vernieuwingen op het vlak van de bevolkingssamenstelling hadden daartoe kunnen bijdragen. Maar dat was buiten de kracht gerekend van de tradities die onze gewesten doordesemen. Zo was er de kermis van Sint-Servaas die sinds de jaren 1890 een heel eigen invulling gaf aan de figuur van Pogge. Die kermis sloot bij het begin van de 20ste eeuw perfect aan bij de ambitie van de handelaars op en rond het splinternieuwe Colignonplein om hun buurt te promoten.

In 1902 richtten zij daartoe de “Cercle des Intérêts Matériels de la Place Colignon” op. Die vereniging lag aan de oorsprong van de carnavaleske optochten die hier tot 1978 georganiseerd werden. 20 jaar later kreeg het carnaval in Schaarbeek een tweede adem en heeft het haar plaats gekregen tussen tal van andere folkloristische evenementen tijdens de halfvasten. Wat de verschillende periodes van de geschiedenis van het carnaval van Schaarbeek met elkaar verbindt, is de aanwezigheid van de Pogge Vrienden. Ze namen niet alleen deel aan de optochten, maar waren ook actief in de verschillende comités.

Het waren dikwijls dezelfde mensen die een rol hadden in “Colignon-Attractions” en de Pogge Vrienden. Vanuit die dubbele positie waren ze ook de aanjagers van de folkloristische activiteiten tot het einde van de jaren 80. Sindsdien werd de fakkel geleidelijk aan overgenomen door de gemeente, die nieuwe vzw’s oprichtte om de carnavalsoptochten een nieuw elan te geven.

 

De gedaantes van Pogge

Tijdens de eerste feesten waarop de kleine Pogge herdacht werd, gebruikten zijn vrienden een strooien figuur. Deze stroman werd aangekleed met een blauwe kiel en een rode sjaal, dichtgeknoopt met een luciferdoosje. Hij kreeg ook een arbeidersmuts op zijn hoofd. Het is dankzij de koddige spirit van Jean-Baptiste Colson dat deze strooien incarnatie van Pogge in 1894 vervangen werd door het beeldje dat tot op de dag van vandaag door de Pogge Vrienden gebruikt wordt. Dit beeldje heeft alle looks van een heiligenbeeld en het wordt ook rondgedragen – op dezelfde manier als andere beelden in processies. Precies in die religieuze context moet de oorsprong van deze eerste beeltenis van Pogge gesitueerd worden. Het beeldje is eigenlijk een afbeelding van paus Leo XIII dat door de kerkfabriek was geweigerd. Men vond de gelijkenis met de Heilige Vader immers onbevredigend. Als Colson er niet de hand had op kunnen leggen, had Vandevelde, de beeldhouwer, het ongetwijfeld afgevoerd. Deze Pogge werd voor de eerste keer gebruikt tijdens een processie die de kermis van Sint-Servaas voorafging. De tonsuur van de geestelijke werd netjes gecamoufleerd door de muts. De kraag van de soutane verdween dan weer onder de sjaal en het luciferdoosje.

Het hele opzet krijgt nog extra betekenis door het feit dat Leo XIII – voor hij paus werd – pauselijk nuntius in Brussel was. We kunnen dus wel stellen dat door Pogges tussenkomst, Leo XIII Brussel nooit écht verlaten heeft. De uitgestrekte arm van Pogge is met andere woorden een zegenend gebaar… voor de carnavalsgekken.

Die eerste vorm van eerbetuiging aan Pogge heeft duidelijk zijn sporen nagelaten op het standbeeld dat Louis Van Cutsem van onze lokale held gemaakt heeft, en in Houffalize staat. Het monument is een symbool van de vriendschappelijke verbroederingsbanden tussen Schaarbeek en het stadje in de Ardennen. Houffalize werd tijdens het Von Rundstedt-offensief in de winter van 1944 met de grond gelijkgemaakt. De Schaarbekenaren zijn toen massaal in actie gekomen om de inwoners van Houffalize te helpen.

De beeldhouwer Van Cutsem, geboren in Evere, had zijn atelier in de Gallaitstraat. Ook al heeft hij talloze funeraire en patriottische monumenten op zijn naam staan, het was een man die hield van humor en grapjes. Die voorliefde kon hij uitleven in de artistieke groep “La mine souriante”. Met andere woorden: Pogge beeldhouwen moet hij vast heel fijn gevonden hebben. In 2017 werd op het grasveld dat in het Josafatpark door de schuttersgilde gebruikt wordt, een gedenksteen met een reliëf van Pogge geplaatst, een werk van beeldhouwer Dorian Collignon.

Destijds moest je wachten tot carnaval om Pogge in Schaarbeek te kunnen ontmoeten. Sinds 1987 maakt hij deel uit van de broederschap van de Brusselse reuzen. In het gezelschap van Madame neemt hij van op zijn wagen deel aan de nieuwe dynamiek van het carnaval. Pogge dankt zijn overleven vandaag, in de 21ste eeuw, vooral aan de trouw en toewijding van de laatste patron van het café Les Trois Rois – de plek waar deze hele geschiedenis begonnen is: Jules Van Geele. Van 1968 tot 1995 baatte hij het café uit en belichaamde hij decennialang Pogge. Hij was het springlevende geheugen van de Pogge Vrienden, de vereniging waarvan hij in 1973 voorzitter werd.

 

Toen hij in 2006 verkozen werd tot Prins Carnaval stond hij model voor een nieuwe reus, Julo. Dat is de laatste avatar van Pogge en tegelijk een mooie hommage aan een voorbeeldige Schaarbeekse volksfiguur. De reus zelf is gecreëerd door Paul Van Kueken. Van Kueken is niet alleen een goedgemutste schilder, maar tevens een onvermoeibare pleitbezorger van de Brusselse folklore.

 

Les Trois Rois

Ondanks het feit dat het café Les Trois Rois al heel wat jaren gesloten was, behield het tot in 2016 toch de sfeer van een dorpskroeg. Het meubilair droeg daar onmiskenbaar toe bij, met onder andere koninklijke portretten, een spaarkas en een grote jukebox uit de jaren zestig. En vooral: talloze spullen die getuigen van de duivenmelkersverenigingen die hier vanaf de 19de eeuw samenkwamen. Ook waren er heel wat ontroerende foto’s en affiches te zien die verband hielden met de activiteiten van de Pogge Vrienden, waarvan dit café uiteraard het hoofdkwartier was. Jules Van Geele waakte met nostalgie over deze kostbare relikwieën, waaronder het standbeeld van Pogge zelf – een onvervangbare schat.

trois rois

 

Het gebouw huisvestte niet minder dan 17 verenigingen: zowel de fanfare van Pogge als de oud-strijdersverenigingen, maar ook majorettes, wielertoeristen, de biljartclub, talloze feestcomités en de duivenmelkers die deelnamen aan de wedstrijden Noyon-Quiévrain. Dit verklaart misschien waarom Julo vanaf het begin ook toestemming kreeg om handel te drijven in boerderijdieren.

We zouden eindeloos kunnen doorgaan met het onderzoeken van het verenigingsverleden van Les Trois Rois, waar ook een spaarbank actief was, wat zich in het meubilair uitte in kleine individuele kluisjes, een soort spaarpot voor de buurt. Aan het einde van het jaar werden de rekeningen opgemaakt. Het was geen fortuin, maar het maakte het mogelijk om het feest voort te zetten. Het café verwelkomde de fanfare van de Pogge Vrienden, maar ook majorettegroepen. Toen hij zijn café in 1995 definitief sloot, liet Julo alles achter, waardoor een soort herinneringsplek ontstond.

 

EINDE EN HEROPLEVING VAN LES TROIS ROIS

Na het overlijden van Julo op 1 januari 2016, werd het café Les Trois Rois te koop aangeboden. De vzw Sputnik bewoog hemel en aarde om het gebouw te beschermen en door de gemeente te laten aankopen als een toekomstig verenigingshuis. De gemeentelijke overheid is hier niet op ingegaan. De staminee is nu een woonhuis. Net voor de verkoop slaagde Philippe Debroe van de vzw Sputnik erin een gedetailleerde fotoreportage en opmeting van het café-interieur te maken, die hem in staat stelden om een levensgrote reconstructie te laten bouwen door het scenografenduo Wing Nuts Decor (Werner De Jonge en Mark Verraes).

Van de familie Van Geele kocht Sputnik het grootste deel van de inboedel van het café, platencollectie inbegrepen. De reconstructie werd in oktober 2016 als pop-up café Aux Trois Rois ingehuldigd tijdens de 4de editie van het festival ‘Alles es Just!’ in de Espace Théâtral Scarabaeus. Het pop-up café streeft ernaar om de unieke sfeer van de plek te vrijwaren. De inboedel wordt stelselmatig aangevuld met nieuwe voorwerpen die dezelfde geest ademen, want de tijd staat niet stil.

2

In deze verzameling is van alles te vinden: toeristische souvenirs, gelegenheidsfoto’s en de onvermijdelijke besluitwet op de beteugeling van dronkenschap. Tussen de oude zwart-witfoto's trekt het portret van een piepjonge accordeonist de aandacht: het is Julo die zich onderscheidde tijdens een nationale wedstrijd. Al deze kleine snuisterijen moeten hem veel verhalen hebben verteld.

Het pop-up café werd zo het uithangbord van ‘Alles es Just!’ en leidde bij elke nieuwe festivaleditie een nomadisch bestaan. Het werd in 2018, 2019 en vervolgens nog in 2022, tijdelijk opgesteld in de voormalige bioscoopzaal die deel uitmaakt van het Novanoïs-complex, onderaan het voormalige café Les Trois Rois. Bovendien is de voormalige Ciné Nova de moderne uitbreiding van een oude staminee: La Rose Blanche, op de hoek van de Haachtsesteenweg en de Vleugelsstraat.

 

OP WANDEL IN DE POGGE-WIJK…

Tijdens de periode van grote veranderingen van deze en de omringende wijken tussen 1880 en 1914 werd er in sneltempo werk gemaakt van socioculturele voorzieningen. Dat had tot gevolg dat er steeds meer feestelijke en culturele activiteiten konden georganiseerd worden. Neem nu de scholen. De middenschool voor jongens in de Koninklijke Sinte-Mariastraat was regelmatig het toneel van veelbesproken fancy fairs. De zeer dynamische oud-leerlingenorganisaties zorgden voor een resem van andere culturele activiteiten.

Vlakbij het Poggeplein getuigde de Zaal Vermeulen nog van de dynamiek van het katholieke verenigingsleven. We gaan terug naar de Haachtsesteenweg via de Vleugelsstraat. Zo komen we op het kruispunt dat gevormd wordt door de kruising van de oude steenweg met de Jerusalemstraat. Hier bevond zich tot in de jaren 1960 de herberg À Jérusalem, een plek waarvan we de geschiedenis kunnen reconstrueren tot in de 17de eeuw en die een belangrijke rol speelde in het verenigingsleven van de buurt.

Zo was er het verhaal van Michel de Ghelderode – de beroemde dramaturg, gemeentelijke archivaris en grote connaisseur van de volkskroegen – dat stelde dat talloze ridders uit Brussel deelnamen aan de eerste kruistocht. In Jeruzalem zijn ze nooit geraakt, precies omdat ze op hun weg halt hielden in Schaarbeek – u raadt het, in deze herberg. Op de andere hoek van het kruispunt bevond zich het oude café La Rose Blanche. Ook deze plek heeft moeten plaats ruimen voor een appartementsgebouw.

Wat verderop ontdekken we een ander belangrijk gebouw uit het verleden van de buurt: de voormalige Ciné Nova. Die bevond zich op het nummer 381 van de Haachtsesteenweg. Het gebouw had ook ingangen in de Goossensstraat en de Vleugelsstraat. Op het grondgebied van Schaarbeek bevonden zich een twintigtal spektakelzalen, waarvan de meeste films vertoonden. Ciné Nova kreeg doorheen de jaren verschillende functies en namen. Voor de Eerste Wereldoorlog was het een theaterzaal, La Rose Blanche. In 1930 werd het een bioskoop. De laatste film werd er vertoond in 1974.

Vandaag heeft het niet alleen een nieuwe naam, Novanoïs. De ruimtes worden ook gebruikt voor onder andere muziek- en danslessen en als repetitielokalen. Deze reconversie maakt het verschil met talloze andere voorbeelden, die dit soort van grote complexen verandert in supermarkten, garages en andere commerciële ondernemingen.

Het Houffalizeplein leidt ons naar de oostelijke zijde van het dorp. Hier bevond zich tot het begin van de 19de eeuw De Motte, een lustoord. De precieze bouwdatum is onbekend, maar gaat vermoedelijk terug tot de 16de eeuw.

 

De oude loop van de Maalbeek stak het plein over en stemt overeen met de huidige Herman- en Jerusalemstraat. Op de plek van de gemeentelijke baden bevond zich in de 19de eeuw het slachthuis. Twee kleine plattelandsgebouwen zijn behouden gebleven in de Jerusalemstraat. Dit waren een melkerij en een taverne uit de tijd van de belle époque, toen stedelingen uit Brussel uitstapjes naar het platteland maakten.

De Voglerstraat was Pogges straat. Die heette in zijn tijd de Vaarzenstraat. Het huis van Pogge bevond zich in een hoek die vandaag is verdwenen door de verbreding van de Haachtsesteenweg – ongeveer ter hoogte van het huidige nummer 392 van de steenweg. Naast het bochtige traject dat herinnert aan de smalle straatjes van het oude dorp kun je er vandaag ook nog de oude rooilijn van de huizen zien. Net als een heel bijzonder kunstenaarshuis op het nummer 17. Dat is versierd met een grote sgraffito van Privat-Livemont uit 1906.

Onder de kunstenaars die er verbleven verdient de schilder Oswald Poreau een speciale vermelding. Hij woonde hier in de jaren 1930 en zijn impressionistisch aandoend werk getuigt op een subtiele manier van de transformatie en industrialisatie van de rurale buitenwijken aan het begin van de 20ste eeuw. In dezelfde straat heeft de gemeentelijke schoolrefter een nieuwe bestemming gekregen als het verenigingshuis Espace Vogler.

 

4 STILLE GETUIGEN UIT DE POGGE-WIJK

Café Les Trois Rois

De oudste kaarten van dit gebied dateren van de 16de eeuw en illustreren het bestaan van verschillende gebouwen in dit deel van de Haachtsesteenweg. Zelfs al zijn ze verschillende keren veranderd en verbouwd, toch verwijzen de gebouwen rond het café Les Trois Rois nog steeds naar de lokale traditionele bouwstijl uit het ancien régime. Hun oorsprong kunnen we traceren naar het einde van de 17de eeuw en, voor de herberg Les Trois Rois, naar het begin van de 18de eeuw. De huidige gepleisterde gevel vertoont geen sporen meer van zijn verleden als dorpscafé.

 

ZAAL Vermeulen

De katholieke burgerij ontwikkelde in de 19de eeuw haar eigen socioculturele netwerk. Een van de meest opmerkelijke verwezenlijkingen werd gerealiseerd door het Sint-Vincentius a Paulogenootschap. Die liet in 1889 in de Goossensstraat een feestzaal met een theaterpodium optrekken. De prachtige metalen structuren met mezzanines herinneren aan de architectuur van de overdekte markten, zoals de Sint-Gorikshallen in de Vijfhoek.

Hier traden amateurtheatergezelschappen en koren op, er was ook een bibliotheek en een aantal scholen hadden hier ook hun studiezaal. Op deze bühne zou de piepjonge Jacques Brel opgetreden hebben. Ondanks de vele verzoeken om dit unieke ensemble te beschermen, werd de site radicaal omgevormd tot woonblok. Hiermee verdween een belangrijke plek in de culturele geschiedenis van de gemeente.

Neptunium

De nieuwe gemeentelijke baden openden de deuren in 1957. Het gebouw is een uitgesproken modernistisch ontwerp van Laurent Senterre. Het onderscheidt zich door de coherentie van het interieur, de kwaliteit van de inrichting en de authentieke, bewaard gebleven decoraties. Het grote mozaïek van Géo De Vlaminck uit 1953-54 is heel representatief voor de modernistische toegepaste kunst uit deze periode. De kunst uit dit decennium probeerde een synthese te maken van de decoratieve stijl en de figuratieve en abstracte motieven die tijdens de Wereldtentoonstelling van 1958 zeer in de mode waren en in de meeste paviljoenen aanwezig waren.

ESPACE VOGLER

De Voglerstraat is genoemd naar een van de weldoeners van de gemeente: Chrétien Wilhelm Vogler. Dat was een industrieel van Duitse herkomst, die zich in Schaarbeek vestigde en er in 1902 overleed. Dankzij zijn vrijgevigheid kon een schoolrefter gebouwd worden, een plek die vandaag voor diverse doeleinden gebruikt wordt: de Espace Vogler.

Yves Jacqmin