Archief en museum voor het vlaams leven te Brussel

Colloquium

Op donderdag 2 april 2026 organiseerden Liberas en de Nederlandse TeldersStichting het colloquium ‘Liberalisme onder druk. Toen en nu’. Ook onze directrice An Rydant was erbij, als historica en co-auteur van Mechelen 1940-1945.

In haar lezing bracht ze het verhaal van Arthur Vanderpoorten tot leven: 

"Dames en heren, 

Ik begin met een cijfer. Tussen 1919 en 1940 was de Liberale Partij slechts 335 dagen afwezig uit de Belgische regering. 

335 dagen. Op meer dan twintig jaar. Dat is minder dan een jaar. 

Maar de Liberale Partij was de zwakste van de drie grote partijen. Structureel, electoraal en zeker organisatorisch. 

Ze was bijna altijd aan de macht, en toch bepaalde ze zelden de agenda. 

Daar wil ik graag even bij stilstaan; want het waarom van die zwakte leert ons niet alleen iets over het interbellum — maar ook over de fundamentele positie van liberale partijen in een meerderheidsdemocratie. En het leert ons iets over een man die probeerde zijn eigen weg te vinden binnen die context: Arthur Vanderpoorten. 

De Liberale Partij was onmisbaar voor elke tweepartijencoalitie. Zonder haar geen meerderheid, en mét haar viel een pak meer te realiseren voor de andere partijen dan een coalitie tussen de twee grootsten of een tripartite. De partij zette binnen de regering dan ook de lijnen niet uit, zelfs niet als ze de premier leverde. Om het met een boutade te zeggen: ze was het scharnier — niet de deur. 

Maar dat scharnier was al een tijdje aan het roesten. 

Na 1884 verloor de partij de macht. Sociale kwesties verdeelden de partij en na de invoering van het meervoudig stemrecht in 1893 was er geen uitzicht meer op een overwinning. Onder het cijnskiesrecht bleven de liberalen weliswaar kunstmatig sterk (haar kiezerspubliek — de bezittende stedelijke burgerij — was oververtegenwoordigd). De echte breuk komt na de Eerste Wereldoorlog, met de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen in 1919. 

Vanaf dat moment is de LP definitief de derde partij. 

Haar stemmenpercentage schommelde in het interbellum tussen ruwweg 14 en 18 procent. Vandaag zou Anders daar geweldig blij mee zijn, maar dit waren andere tijden. Twee grote blokken, één kleintje tussenin met een trouwe basis van 14%. Wat meer dan de percentages fluctueerde, was het aantal zetels: goede en slechte verkiezingen wisselden elkaar af in een patroon dat meer te maken had met externe factoren — de campagnes van concurrenten, de persoonlijkheid van lokale lijsttrekkers — dan met de mobilisatiekracht van de partij zelf. 

En dat is precies het probleem. Een partij die afhankelijk is van externe factoren voor haar resultaten, heeft geen stevige eigen basis. 

Maar waarom niet? 

Kijk naar de concurrenten. De katholieken hadden een volledige zuil: scholen, vakbonden, mutualiteiten, jeugdbewegingen — een hele leefwereld die mensen van de wieg tot het graf aan de partij bond. De socialisten hadden coöperatieven, ziekenfondsen, arbeidershuizen. Ze bouwden aan een eigen cultuur, een eigen identiteit. 

De liberalen hadden ook hun verenigingen — het Willemsfonds, de Liberale Jonge Wachten, het LVV, mutualiteiten, fanfares en turnverenigingen. Maar die stonden kwantitatief en organisatorisch ver achter bij wat de anderen hadden opgebouwd. En dat is ook niet toevallig. Het zit in de DNA van het liberalisme zelf. Een ideologie die het individu centraal stelt, bouwt nu eenmaal minder gemakkelijk een collectieve zuil. Dat is geen fout — het is een structureel gegeven. 

Het gevolg was tweeledig. Geen structurele mobilisatiekracht: de liberale kiezer werd niet naar de stembus gedreven door een netwerk van buren, collega’s en vrienden die allemaal hetzelfde stemden. De partij steunde op lokale notabelen, stedelijke elites en middenstanders. 

In Vlaanderen was die zwakte nog meer uitgesproken. De partij liet zich er voornamelijk vertegenwoordigen door een grotendeels verfranste bourgeoisie. De meeste federaties lieten nauwelijks ruimte voor Vlaamsgezinden. Er was wel een Liberaal Vlaams Verbond, opgericht in 1913, maar dat slaagde er niet in om de lokale overmacht van Franstalige burgers te breken . Op één uitzondering na: de federatie Brugge, waar de partij kon terugvallen op een eigen Vlaamsgezinde organisatie, het Van Gheluwe-genootschap Help u Zelve. Maar dat bleef een uitzondering die de regel bevestigde. 

Daarbij kwamen nog twee interne breuklijnen. Na de taalwetten van 1930 en 1932 was het Vlaamse militantisme nagenoeg verdwenen — de minimale eisen waren ingewilligd, de energie was weg. Wie verder wilde gaan botste op de starre Franstalige partijleiding.  

Daarbovenop kwam een sociaal-economische breuklijn. De doctrinaire vleugel hield vast aan klassiek liberalisme — vrijhandel, beperkte staat, strikte vrijzinnigheid — tegenover een pragmatische (soms zelfs idealistische) groep die een socialer profiel voorstond.. 

Daarnaast is er de prijs van het regeren zelf. De LP was bijna continu in de coalitie, maar altijd als kleinste partner. Op sociaaleconomisch vlak hoefde ze weinig te compromitteren. Maar op het terrein van de vrijzinnigheid en de strijd voor het officieel onderwijs — haar meest symbolische domein, het meest gevoelig voor haar basis — deed ze keer op keer concessies. 

Het congres van 1932 is het schoolvoorbeeld. De partijleiding drukte een resolutie door die volgens Janson zelf “niets betekende”. De basis voelde zich bedrogen. En had daar ook alle reden toe. 

In 1939 wordt het beste resultaat van het interbellum neergezet: tien zetels winst. Die overwinning is echter niet het gevolg van een sterker programma of een bredere basis. De liberalen speelden hun Belgisch patriottisme uit en beklemtoonden de nationale eenheid tegenover het oprukkende fascisme. Wanneer een partij haar beste resultaat boekt op een niet-specifiek liberaal thema — wanneer ze haar sterkste kaart moet spelen buiten haar eigen programma — is dat geen teken van kracht. 

De jaren 1930 waren buitengewoon turbulent. België kampte met de naweîen van de Grote Depressie. In mei en juni 1936 brak een grote stakingsgolf uit die het hele land overspoelde. Tegelijk veranderde de geopolitieke situatie radicaal: in 1933 kwam Hitler in Duitsland aan de macht, in februari 1936 triomfeerde het Volksfront in Spanje, in mei installeerde Léon Blum een Volksfront-regering in Frankrijk, in juli brak de Spaanse Burgeroorlog uit.  

Marcel-Henri Jaspar omschreef de liberale positie in die periode met een treffende formulering: de liberalen waren “désaxés entre Rex et le Front populaire” — ontwricht tussen twee vuren. 

Aan de ene kant dreigde het rexisme verder te groeien. Aan de andere kant het antifascistische volksfront, waaraan de liberale jeugd wél wilde deelnemen maar waartegen de conservatieve partijmeerderheid zich verzette — uit angst voor het communisme. 

Die impasse wordt nergens duidelijker dan in de liberale reactie op de Spaanse Burgeroorlog. Wat opvalt, is hoe snel een groot deel van de liberale pers partij koos — niet voor de wettelijk verkozen Republikeinse regering, maar tégen haar. 

‘La Flandre Libérale’ schreef op 26 juli 1936 dat men zonder aarzelen partij zou kiezen voor diegenen in Spanje die zich resoluut keerden tegen het communisme en de anarchie. De ‘Gazette’ sprak over de “dictature socialo-communiste du Frente popular” en gebruikte de term “Frente Crapular”. 

‘De Nieuwe Gazet’ schreef in 1937 dat van twee onvermijdelijke kwaden het fascisme voor hen het minst erge was. Alleen ‘la Dernière Heure’ las de gebeurtenissen correct: “Soutenir Franco, c’est faire le jeu de Hitler.” 

Dat ‘la Dernière Heure’ de enige uitzondering was, is op zijn minst merkwaardig. Want wat de andere liberale commentatoren over het hoofd zagen — of liever negeerden: de president van de Spaanse Republiek, Manuel Azaña, was zelf een liberaal. Een liberale partij die partij kiest tegen een liberale president, ten voordele van een militaire autoritaire putschist voor wie kerk en staat nauw verbonden waren— dat zegt veel over hoe sterk het anticommunisme het antifascisme overstemde. 

Uiteindelijk schaarden alle liberalen zich achter het non-interventiepact, samengevat in de slogan “Ni Rex, ni Moscou”. Die slogan suggereert eenheid — maar maskeert twee totaal verschillende angsten. Marc D’Hoore heeft in zijn onderzoek naar de liberale reactie op de Spaanse Burgeroorlog dit treffend geformuleerd: wat die oorlog bij de liberalen blootlegde, was de “grande peur bourgeoise” — de grote burgerlijke angst voor het communisme die coherente politieke posities onmogelijk maakte. 

 

Die angst heeft een prijs. Ze maakt de liberalen blind voor wat er werkelijk op het spel staat. Want de dreiging zit niet alleen links. De jaren 1930 zijn vooral de jaren van het oprukkende rechts autoritarisme. Kabinetten volgen elkaar in hoog tempo op en geven er soms al na enkele weken de brui aan. En autoritaire leiders kunnen op brede steun rekenen: Degrelle, Declercq, Van Severen. Maar bovenal Leopold III, die de parlementaire democratie geen warm hart toedraagt. In die context is antifascisme voor de Liberale Partij geen evidentie — het is een keuze die ze stelselmatig voor zich uitschuift. 

In die context — een partij die regeert zonder te bepalen, die intern verdeeld is, die haar meest symbolische terrein opgeeft voor coalitiedeelname — wil ik stilstaan bij één man. Een buitenstaander. Iemand die in vrijwel geen enkel opzicht paste in het profiel van de typische liberale mandataris: Arthur Vanderpoorten. 

Hij werd geboren in Puurs in 1884 als zoon van een rijkswachtbrigadier die stierf toen Arthur zes maanden oud was. Zijn moeder baatte een kruidenierszaak uit en verhuisde met haar kinderen naar Lier. Arthur was een uitmuntend leerling — aan de Rijksmiddelbare jongensschool in Lier, later aan het Koninklijk Atheneum van Mechelen. Maar universitaire studies waren niet weggelegd voor hem. Zijn moeder kon die immers niet betalen. Hij werd handelsreiziger en later directeur bij een textielfirma in Lier. 

Vanderpoorten is geen advocaat. Heeft geen hogere studies gedaan. Is geen vrijmetselaar en komt niet uit het gesloten milieu van notabelen en politieke dynastieën dat de liberale federaties domineert — het milieu waarin jonge mannen worden klaargestoomd via stages bij advocatenkantoren van politieke zwaargewichten, die dikwijls ook hoogleraar zijn en zo drie werelden tegelijk beheersen. In de liberale partijcultuur van die tijd is dat geen triviale vaststelling — dat is een enorme drempel. Bovendien heeft Vanderpoorten nog een bijkomend nadeel: hij komt uit Lier, een kleine stad in een kiesdistrict waar de eerste plaatsen historisch altijd voor Mechelaars zijn weggelegd. 

Op de koop toe is hij ook nog Vlaamsgezind in een partij die ook in Vlaanderen grotendeels geregeerd wordt door Franstaligen. En hij is een criticus van zijn eigen partijleiding — openlijk, zonder omwegen. Hij schrijft teksten en toespraken over het liberalisme, met titels die zijn ongemak verraden: “Heeft het liberalisme uitgediend?” en “Zijn wij nodig?” 

Een man die in zijn eigen partij de vraag stelt of ze nog nodig is. Dat is ofwel heel moedig, ofwel heel naïef. Misschien allebei. 

Vanderpoorten is vóór 1936 allesbehalve onbeduidend. Hij bouwt een sterke lokale verankering op — niet via de klassieke liberale netwerken, maar via zijn eigen engagement. Hij is voorzitter van het Willemsfonds, raadsheer bij het VEV, oprichter en voorzitter van de Lierse Kamer voor Handel en Nijverheid. En hij is actief binnen het Liberaal Vlaams Verbond. 

In 1936 belandt hij in de nationale politiek. Eigenlijk dankzij de socialisten. Die willen immers niet meestemmen om de liberaal Oscar Van Kesbeeck provinciaal senator te maken. De man had als advokaat rechtszaken gepleit tegen socialistische cooperatieven en zich de woede van de BWP op de hals gehaald. Als alternatief kwam Vanderpoorten uit de bus — 52 jaar oud, nooit eerder nationaal mandataris. Vermoedelijk was dat ook voor hem een enorme verrassing. Toeval met grote gevolgen voor zijn levensloop. 

Eenmaal in de Senaat speelt hij onmiddellijk een actieve rol. Zijn geliefkoosde domeinen zijn onderwijs, economie en taal. Hij voert campagne tégen Rex als verdediger van de parlementaire democratie. 

In 1937 legt hij een wetsvoorstel neer over de financiering van athenea en rijksmiddelbare scholen — aangenomen onder minister Julius Hoste en sindsdien bekend als de wet-Vanderpoorten. Een concrete maatregel die zijn aandacht voor het officieel onderwijs en de volksverheffing illustreert. 

In april 1939 wordt hij opgenomen in de regering Pierlot II als minister van Openbare Werken. Enkele maanden later, in Pierlot III, volgt hij Albert Devèze op als minister van Binnenlandse Zaken. 

Waarom precies hij als minister wordt gekozen? Die vraag kan ik vandaag niet met zekerheid beantwoorden. Hij lijkt eigenelijk één van de minst “ministrabele” kopstukken van zijn partij. Maar misschien geeft juist dat hem credibiliteit. Er kleven geen schandalen aan zijn naam, zijn senaatswerk heeft hem zichtbaar gemaakt, zijn profiel als Vlaamsgezinde liberaal geeft hem een representativiteit die de partij nodig heeft. Welke andere factoren meespelen — interne partijpolitiek, coalitiedruk — vereist verder onderzoek… en misschien een nieuwe studiedag. 

 

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers België binnen. 

Vanderpoorten ligt in het ziekenhuis in Antwerpen, herstellende van een zware galblaasoperatie. Zijn oudste zoon Herman — die nog maar net heeft leren rijden — haalt hem op. Bij het wegrijden rijdt Herman meteen een andere wagen aan. 

Een herstellende minister, een zenuwachtige jonge bestuurder, een aangereden wagen — en buiten, de oorlog. 

Vanderpoorten sluit zich ondanks zijn fysieke toestand onmiddellijk aan bij de regering. Hij behoort tot de kleine kerngroep van vier die in Wijnendale aan koning Leopold III vraagt mee te gaan naar Frankrijk om de oorlog verder te zetten. De koning weigert. 

De regering trekt heel Frankrijk door en belandt uiteindelijk in Vichy. Eind augustus 1940 vertrekken premier Pierlot en minister van Buitenlandse Zaken Spaak via Spanje naar Londen. Acht ministers blijven in onbezet Frankrijk — ze mogen het Belgisch grondgebied niet meer betreden van de bezetter. 

Vanderpoorten vestigt zich vanaf november 1940 in Pont-de-Claix, een klein dorp bij Grenoble, in een pension van de weduwe van een Franse officier gesneuveld in de Eerste Wereldoorlog. Drie collega’s vergezellen hem: de socialist Matagne en de katholieken De Schryver en D’Aspremont-Lynden. 

Vanderpoorten zit niet stil. De eerste maanden reist hij door het land om Belgische vluchtelingen en CRAB’s te helpen. In 1941 en 1942 engageert hij zich om ondervoede kinderen uit België een gezonde vakantie in Zwitserland te bezorgen. En hij schrijft zich in aan de universiteit van Grenoble en volgt er lessen en grapt in brieven aan zijn zoon dat ze nu allebei op de schoolbanken zitten. 

De omstandigheden zijn zwaar. Amper verwarming in de winter. Te weinig eten: minister van Financiën Gutt schrijft in mei 1942 aan Pierlot, na een getuigenis over een bezoek aan Pont-de-Claix, dat de ministers daar blijkbaar “vraiment affamés” zijn. Londen stuurt voedselpakketten. Ter vergelijking: generaal Denis, die elders in Frankrijk verblijft, raakt in die periode zwaar depressief. De isolatie, de onzekerheid, de fysieke ontbering — ze laten hun sporen na. 

Minister Theunis omschrijft hem in zijn briefwisseling met Gutt als “pratique et dévoué” — praktisch en toegewijd. Dat is Vanderpoorten: actief blijven, nuttig zijn, ook in de meest moeilijke omstandigheden. Hij onderhoudt contacten met het verzetsnetwerk Sabot dat aan Londen meldt: “L’Oncle Arthur est toujours en tournée.” Zowel die reizen als de contacten met de regering in Londen maken hem verdacht. Vanderpoorten en zijn collega’s worden gevolgd door de Franse politiediensten. 

Op 11 november 1942 trekken de Duitsers het onbezette deel van Frankrijk binnen. Op 4 januari 1943 wordt Vanderpoorten gearresteerd. 

Majoor Jean Lavry — de rechterhand van minister van Defensie Denis — wordt in dezelfde periode opgepakt en kan Vanderpoorten spreken in de gevangenis van Fresnes. Het is een van de weinige directe getuigenissen over hoe hij die periode beleeft, en het toont de grote angst waarmee de mannen naar de toekomst kijken. 

Via Fresnes wordt Vanderpoorten op transport gezet naar Buchenwald en Sachsenhausen. Daar krijgt hij het NN-statuut — Nacht und Nebel — wat in de praktijk neerkomt op een doodvonnis door vergetelheid in een kamp en ontbering. Zijn familie krijgt geen nieuws meer. Maar toch houdt hij er de moed in. Hij organiseert turnoefeningen met zijn medegevangenen. Wie Arthur Vanderpoorten is, blijft hij ook in het kamp — een man die gelooft in een gezonde geest in een gezond lichaam, en die de moraal van anderen probeert op te krikken. 

In het ineenstortende Derde Rijk wordt hij opnieuw overgeplaatst. Op 11 februari 1945 komt hij totaal verzwakt aan in Bergen-Belsen. 

Hij overlijd er op 3 april 1945. Negen dagen voor de bevrijding van het kamp. 

 

Zijn laatste woorden werden overgebracht door een medegevangene, Robert Vercauteren, die naast hem stond: “Zeg in België dat ik tot het laatste mijn land heb gediend. Omhels voor mij mijn vrouw en mijn kinderen.” 

Ik gebruik die woorden niet als bewijs van heldhaftigheid. Ik gebruik ze als wat ze zijn: het testament van een man die zijn land en zijn gezin liefhad, die in moeilijke omstandigheden deed wat hij kon, en die — zoals zovele anderen — nooit de bevrijding haalde waar hij zo naar verlangde. 

 

Dames en heren, de studiedag vandaag stelt de vraag: “Liberalisme onder druk. Wat kunnen liberalen leren van de jaren 1930?” 

Ik ben historicus. Van mij wordt neutraliteit verwacht. Maar neutraliteit is ook een keuze — en niet altijd een onschuldige. En dus ga ik toch proberen die vraag te beantwoorden. 

De geschiedenis leert ons vooral hoe we zaken niet moeten doen — en helaas ook dat mensen lessen uit de geschiedenis zelden onthouden.  

De liberale partij van de jaren 1930 ziet de gevaren. Sommigen zien ze heel helder. En toch slaagt ze er niet in coherent te handelen. Niet uit onwetendheid, maar omdat de structuur en een overvloed aan pragmatisme en regeerdrang dat verhinderen. De interne verdeeldheid, de angst om de coalitie te verliezen, het gebrek aan voldoende electorale macht — die factoren maken van principiële keuzes een luxe die de partij zich niet kan veroorloven. 

En dan is er Vanderpoorten zelf. Hij stelde de vraag of het liberalisme nog nodig was. Zijn antwoord was niet een pamflet of een programma — het was zijn leven. Hij bleef principieel waar de partijstructuur hem had kunnen afschuren. Niet dankzij die structuur, maar ondanks haar. 

Een liberale partij die altijd mee regeert maar nooit de agenda bepaalt, verliest vroeg of laat haar geloofwaardigheid — niet bij haar tegenstanders, maar vooral bij haar eigen kiezers. En een liberale partij die haar kernprincipes onderhandelt als wisselgeld, verliest alle autoriteit. Want liberalisme is geen programma dat je aanpast aan de omstandigheden — het is een manier van denken. En over die manier van denken zei Poincaré: “het denken mag zich nooit onderwerpen. Niet aan een dogma. Niet aan een passie. Niet aan een belang”.  

Daar sluit je geen compromissen over. 

Vanderpoorten schreef: “Zijn wij nodig?” Hij bedoelde het als zelfkritiek. Maar het is ook een uitnodiging. Het speelveld is vandaag complexer: meer partijen, meer fragmentatie, meer algoritmes en een overvloed aan communicatie. Maar de vraag is dezelfde gebleven. 

De rest is aan de politici en de kiezers van vandaag. Aan jullie. 

 

Dank u wel."

An Rydant